Proefboringen
Om zeker te weten of er aardgas of aardolie in de bodem zit, wordt altijd eerst een proefboring uitgevoerd. Op de plek waar gas wordt vermoed, wordt een boortoren geplaatst. Vanaf de boortoren gaan lange boorbuizen de grond in. Aan het einde van zo’n boorbuis zit een grote, draaiende beitel: de boorkop. Die boort een gat in de bodem, vaak kilometers diep. Door de boorbuis wordt vloeistof gepompt die al het losgeboorde gruis wegspoelt en de druk in evenwicht houdt. Als de beitel bij de laag aangekomen is waar misschien gas of olie zit, kan door middel van een regelklep op het boorgat, boven aan de buis, de toevoer van het gas worden geregeld. Aan de hand van de druk, temperatuur en de samenstelling van het gas valt te bepalen of het rendabel is om op deze plek daadwerkelijk gas te gaan winnen.
De procedure voor een proefboring op zee is ongeveer gelijk aan die op land. Alleen is er in plaats van een boortoren een boorplatform nodig. Dit platform wordt met stalen poten tijdelijk op de zeebodem neergezet, waarna er vanaf het platform geboord kan worden.
Schuin boren
Soms kan het ook voorkomen dat er aardgas onder een bewoonde plek zit of onder een moeilijk te bereiken gebied. Nieuwe boortechnieken maken het mogelijk om in dit soort gevallen schuin te boren. De boortoren staat dan buiten het gebied en kan door schuin te boren de plek bereiken waar vermoedelijk aardgas te vinden is.
Zie ook de (Engelstalige) factsheet over het boren naar olie en gas van de OGP.